Nieuw licht op Mattheüs 25: 'Olie voor het licht'
Door: Bertus Keuter
Er is een nieuw lied verschenen van de hand van dichter Jan Pieter Kuijper: Olie voor het licht. Het lied, geschreven op de bekende melodie van Psalm 134, is een even poëtische als indringende reflectie op de gelijkenis van de tien meisjes uit Mattheüs 25. Waar veel liederen over dit Bijbelgedeelte blijven steken in louter navertellen of morele waarschuwingen, slaagt Kuijper erin om diepe existentiële en theologische lagen aan te boren. Een eerste recensie laat zien dat dit lied op minstens vier niveaus gelezen kan worden en een urgente boodschap heeft voor het geloofsleven vandaag.
Tien jonge vrouwen staan klaar met hun lampen, want vannacht komt de bruidegom en dan begint het feest. Maar de bruidegom blijft weg. In zes korte coupletten brengt Olie voor het licht ons van een verwachtingsvolle avond naar een gesloten deur. Het lied trekt de luisteraar onontkoombaar de donkere nacht in en dwingt tot een eerlijke blik in de eigen kruik. Alles spitst zich uiteindelijk toe op die ene, onontkoombare vraag aan de luisteraar: leef jij uit een bron die jouw lamp brandend houdt wanneer de nacht onverwacht lang duurt?
De stilte van het wachten
Tien meisjes gaan de bruiloftsstoet
met olielampen tegemoet.
De verte zwijgt, er klinkt geen lied;
de bruidegom verschijnt nog niet.
Een bruiloft hoort vol muziek te zijn, vol gelach en gezang. Maar hier zwijgt de verte. "De verte zwijgt, er klinkt geen lied" is poëzie van de bovenste plank. De feestvreugde is uitgesteld, en in plaats daarvan is er die ongemakkelijke stilte van wachten op iets dat maar niet komt. Het zijn de periodes waarin God afwezig lijkt en de beloofde vreugde nog nergens te horen is.
Tien lampen branden in de nacht.
Vijf kruiken zijn er meegebracht.
Een stem doorbreekt de stilte luid:
‘De bruidegom haalt nu zijn bruid!’
Midden in de nacht scheurt een stem de stilte open. Het wachten is voorbij, maar het komt zoals het altijd komt: onverwacht, op een uur dat niemand had ingeschat. Let op het kleine, veelzeggende contrast dat hier direct wordt neergezet tussen overvloed en tekort. Tien lampen, maar slechts vijf kruiken. Van buiten lijken alle meisjes hetzelfde, allemaal met een brandende lamp. Het verschil zit verborgen in de onzichtbare voorraad.
De olie van genade
Vijf kruiken schenken overvloed,
genade die het leven voedt.
Geloof dat uit die volheid leeft,
is als het licht dat richting geeft.
Hier maakt de dichter een cruciale theologische keuze. In Mattheüs 25 wordt nergens uitgelegd wat die olie nu eigenlijk betekent. Het lied durft te interpreteren: de olie is genade. Het is geen voorraadje goede werken dat de wijze meisjes bij elkaar hebben gespaard, maar iets dat ze hebben ontvangen en wat overvloeit. De wijze meisjes hebben niet simpelweg meer gepresteerd. Dit sluit prachtig aan bij de bekende woorden uit Johannes 1: "Uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen, genade op genade."
Dat verandert alles. Het verschil tussen wijs en dwaas is niet dat de één harder haar best heeft gedaan. Het is dat de één leeft uit een ontvangen bron die blijft geven. Geloof, stelt het lied, is licht dat richting geeft. En dat licht brandt op olie die je krijgt, niet op olie die je zelf produceert.
Het eigen vat
Vijf lonten dreigen uit te gaan.
‘Vul onze lege lampen aan!’
‘Wij kunnen niet, ons eigen vat
verlicht alleen ons levenspad.’
Dit is misschien wel de moeilijkste en meest paradoxale passage van het hele lied. Klinkt dit niet hard en individualistisch? Vijf meisjes met uitdovende lonten vragen om hulp en het antwoord lijkt een kille weigering. De Griekse grondtekst van Mattheüs 25:9 bevestigt echter deze lezing. De wijze meisjes antwoorden met de constructie "Μήποτε οὐ μὴ ἀρκέσῃ ἡμῖν καὶ ὑμῖν" (Nee, opdat er beslist niet te weinig is voor ons en jullie). Er spreekt geen onwil uit ("wij willen niet delen"), maar een objectieve, feitelijke onmogelijkheid ("het is ontoereikend om te delen"). Doordat het lied de olie eerder al definieert als genade, valt dit theologische puzzelstukje hier perfect op zijn plaats. Genade is geen substantie die je horizontaal kunt overgieten. Zoveel kunnen we delen met elkaar: geloof, onderwijs, liefde en hoop. Maar de persoonlijke omgang met God is fundamenteel niet-overdraagbaar. Het "eigen vat" is geen individualistische hardheid, maar een eerlijke erkenning dat je een ander niet kunt redden met jouw eigen ontvangen genade.
De gesloten deur: een literaire trechter
Eén deur verspert de bruiloftszaal.
Eén stem klinkt bij het koningsmaal.
Eén oordeel valt: het is te laat.
‘Ik weet niet wie daar buiten staat.’
Let op de opbouw van het lied, waarin de dichter succesvol gebruikmaakt van literaire trechter. Het aantal mogelijkheden in de tekst wordt gaandeweg steeds kleiner. We begonnen met tien meisjes en tien lampen. Toen zakte het naar vijf kruiken en vijf lonten. In dit vijfde couplet is alles teruggebracht tot het getal één: één deur, één stem, één oordeel. Alle aandacht wordt door deze vernauwing onontkoombaar naar dat ene beslissende moment toe gezogen. Van de brede menigte naar het actuele nu.
De regel "Eén deur verspert de bruiloftszaal" laat bovendien zien dat deze deur niet zomaar een houten barrière is. Ze markeert de grens tussen wachten en vervulling en tussen geloof en aanschouwen. Aan die deur klinkt geen donderend oordeel, maar het verdriet van de niet-herkenning: "Ik weet niet wie daar buiten staat."
Onderhoud het vuur
Geen sterveling kent dag of uur.
Wees waakzaam, onderhoud het vuur.
Zorg voor de olie, voor het licht;
blijf op de bruidegom gericht.
De theologische wijsheid van de ontknoping zit verstopt in één enkel woord. Er staat niet: ontsteek het vuur. Er staat: onderhoud het vuur. De dichter gaat er van uit dat het vuur bij de luisteraar al brandt. De vraag die Kuijper stelt is daarom niet hoe je christen wordt, maar hoe je christen blijft wanneer het wachten lang duurt. Het is de volharding in de periodes waarin God stil lijkt, de nacht valt en anderen om je heen hun aandacht verliezen. Dit raakt exact de kern van de gelijkenis.
Een blijvende uitnodiging
Aan het einde van het lied staat de luisteraar weer in diezelfde stille nacht waarmee het begon, met de lamp in de hand. De bruidegom is nog niet gekomen en het wachten kan nog lang duren. De vraag die als een rode draad door de tekst loopt, ligt nu volledig bij jou: heb je brandstof voor de nacht?
Het hele lied is opgebouwd rond één messcherp contrast. Aan de ene kant zie je de overvloed, de genade die voedt en de open deur. Aan de andere kant dreigt het tekort, de dovende lont en de gesloten deur. Toch eindigt dit contrast nergens in een kille dreiging. Het mondt juist uit in een heldere uitnodiging. Want wie inziet dat de olie staat voor ontvangen genade, hoeft niet krampachtig bang te zijn dat de voorraad opraakt. Genade hoef je niet te verdienen. Je mag er steeds opnieuw voor putten uit de volheid van Hem die komt.
Dit maakt het lied uiteindelijk geen lied over de angst voor het oordeel, maar over wakker blijven uit liefde. Het is een aansporing om de vlam brandend te houden in de vaste hoop op het feest dat zeker wacht.
Het lied Olie voor het licht is nu beschikbaar. En wie de theologische diepte ervan begrepen heeft, weet: de genade om die persoonlijke lamp brandend te houden is dat evenzeer. Blijf dicht bij de Bron, zodat er altijd olie voor het licht blijft!
![]()
Bertus Keuter is werkzaam bij het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap (NBG)
