'Wees niet bang': een lied van Ria Borkent dat niet loslaat
Met een tekst van Ria Borkent en een melodie van Roelof Elsinga is er een lied dat troost biedt in angst, rouw en vertwijfeling, geworteld in de woorden die God tot Israël sprak in Jesaja 41 vers 10.
Niemand die ooit wakker heeft gelegen in het donker, geplaagd door angst of verdriet om een geliefde die er niet meer is, zal onberoerd blijven bij de openingsregel: Wees niet bang, want Ik ben bij je. Die woorden zijn niet zomaar gekozen: Borkent ontleende ze vrijwel letterlijk aan Jesaja 41 vers 10, een van de meest directe beloften van Gods aanwezigheid in de hele Bijbel.
Wees niet bang, want Ik ben bij je, vrees niet, want Ik ben je God. Ik zal je sterken, Ik zal je helpen, je steunen met mijn bevrijdende rechterhand. (Jesaja 41:10, NBV21)
In Jesaja 41 spreekt God zijn volk aan op een moment van angst en ballingschap. De belofte is niet dat het gevaar zal verdwijnen, maar dat God erbij zal zijn. Dat is precies de grondtoon die Borkent in haar lied vasthoudt en uitwerkt naar de persoonlijke beleving van de gelovige vandaag.
1. Wees niet bang, want Ik ben bij je.
Vrees niet, want Ik ben je God.
Wees sterk en moedig in de beproeving,
in dagen van gevaar
is mijn schaduw aan je rechterhand.
De openingsstrofe ademt de sfeer van het Bijbelvers, maar Borkent doet meer dan parafraseren: ze voegt de oproep toe om sterk en moedig te zijn in de beproeving. Daarmee legt ze meteen de toon neer voor het hele lied. Dit is geen passieve vertroostende tekst, maar een die de gelovige aanspreekt en op de been zet. Opvallend en treffend is ook het beeld van de schaduw aan de rechterhand. Jesaja spreekt van Gods bevrijdende rechterhand; Borkent gebruikt in deze strofe het beeld van de schaduw: een beschermende aanwezigheid die dicht naast je is, als een gestalte die je beschut in het vuur van de beproeving. Het is de echo uit Psalm 121 waar staat: De Heer is je wachter, de Heer is de schaduw aan je rechterhand.
2. Laat je niet door angst verlammen,
Ik werk met kracht in je ziel.
Ik geef je ruimte in de beklemming,
geef Mij dan je gebed,
kijk naar boven door je tranen heen.
Wat dit lied kracht geeft, is dat het de donkere kanten van het leven niet omzeilt. Borkent schrijft over beklemming, tranen, vertwijfeling en de lange nacht. Juist daardoor klinkt de belofte van Gods aanwezigheid niet als een vrome formule, maar als een woord dat echt iets te zeggen heeft. Voor wie rouwt om een geliefde die er niet meer is, biedt het geen gemakkelijke troost, maar wel echte: de troost van een aanwezige God die zijn naam verbindt aan het bij-zijn. De tweede strofe onthult daarin de therapeutische logica van het lied: God werkt met kracht in de ziel, geeft ruimte waar beklemming heerst, en nodigt uit tot gebed. De aanwijzing kijk naar boven door je tranen heen is een beeldende samenvatting van wat bidden is in rouw: niet het stoppen van de tranen, maar de richting ervan. Dit lied werd onlangs gezongen bij een afscheidsdienst, en bleek daar te dragen wat het belooft.
3. Wees niet bang, als je moet lijden.
'Ik ben erbij' is mijn naam.
Ik zal je redden van je demonen,
van de vertwijfeling
in het donker van de lange nacht.
De derde strofe is theologisch het meest verrassend. De regel 'Ik ben erbij' is mijn naam raakt aan de kern van de Bijbelse Godsnaam. God stelt zich niet voor als een macht op afstand, maar als aanwezigheid. Dat is een kostbaar gegeven voor wie iemand mist: er is Iemand die niet wegblijft. De belofte van redding van demonen en vertwijfeling is krachtig geformuleerd: het zijn de innerlijke vijanden die het zwaarst wegen in de lange nacht, en juist die worden met naam genoemd.
![]()
4. Wees niet bang, want Ik ben bij je.
Vrees niet, want Ik ben je God.
Ik zal je sterken, Ik zal je helpen,
je steunen met mijn hand,
niet te overwinnen rechterhand.
De slotstrofe keert terug naar de openingswoorden, maar klinkt nu anders dan aan het begin: verrijkt door alles wat de tussenliggende strofen hebben blootgelegd. Borkent kiest er bewust voor het Bijbelvers hier nagenoeg volledig te herhalen, maar voegt één woord toe dat alles zegt: niet te overwinnen. De rechterhand van God is niet slechts een steunend gebaar; het is een hand die geen enkele tegenkracht kan breken. Na drie strofen van angst, gebed en nacht eindigt het lied zo niet in berusting, maar in zekerheid.
De melodie van Roelof Elsinga draagt de tekst op een manier die ruimte laat voor wat de woorden zeggen. Het lied leent zich voor persoonlijk gebruik én voor de zang van de gemeente, overal waar mensen samen staan in kwetsbaarheid en toch willen geloven in een nabije God.
