De ontembare tong
1. Het kleinste bit bedwingt het sterkste paard
en stuurt het grote dier opzij.
Het kleinste roer leidt schepen op hun vaart
door woeste storm en zwaar getij.
Zo is de tong een kleine dwingeland:
één vonkje zet een bos in brand.
2. De tong is als een nietsontziende vlam,
een fel en onbedwingbaar vuur.
Al maakt de mens ook wilde dieren tam
en onderwerpt hij de natuur,
de tong is kwaad en onberekenbaar,
geen sterveling beteugelt haar.
3. Eerst zingen wij een loflied voor de Heer,
brengt onze tong de eer aan Hem,
dan halen wij al snel de naasten neer,
vervloeken hen met onze stem.
Dezelfde mond die lof zingt, spuwt ook spot;
wij kwetsen mensen, danken God.
4. Een zoute bron geeft nooit een zoete stroom.
Een wijnstok brengt geen vijgen voort.
Heer, houd mijn ongetemde tong in toom:
nu klinkt er nog een zegenwoord,
straks stroomt weer bitter water uit mijn mond.
Maak toch de bron in mij gezond.
5. De wijsheid uit de hemel is oprecht,
zij is verzoenend, zuiver, zacht.
Zij heelt wat door de tong is stukgezegd
en dooft de vlammen met haar kracht.
Wie vrede zaait met wat zijn mond verspreidt,
ontvangt als vrucht gerechtigheid.
Bijbelgedeelte
Jakobus 3Melodie
Psalm 39Gebruik in diensten
Wij willen u aanmoedigen dit lied binnen uw kerkelijke gemeenschap te gebruiken. U dient wel een CCLi Licentie te hebben afgesloten.
Liednummer rapportage CCLi 7288466
Tweeluik
Dit lied maakt deel uit van het tweeluik over Jakobus; de andere helft is het lied 'Luister'.
