Dorst

Ik ken de dorst van lijf en leden
en heb gedronken, telkens weer.
Het smaakte altijd naar nog meer
en stelde nooit tevreden.
Zwaar woog de last van schuld en boete;
men meed mij met een grote boog.
Mijn hart was uitgeput en droog,
tot Jezus mij ontmoette.

Hij vroeg mij of Hij iets mocht drinken.
Daarna vertelde Hij dat Hij
veel meer te geven had aan mij.
Ik vond het duister klinken.
Hij zag mijn hart, Hij ging mij breken:
'Waar is je man?' Ik hield me groot
zolang het kon, maar deze Jood
bleek met gezag te spreken.

Wie was Hij? Het begon te dagen.
De man die alles wist van God,
die mij doorzag tot op het bot,
gaf antwoord op mijn vragen.
Zijn liefde heeft Hij mij gegeven,
verlossing toen het niet meer kon.
Nu ruist er in mijn hart een bron
van eeuwig zalig leven.

© Tekst: Arie Maasland
Dit gedicht komt uit Arie Maaslands bundel ”Weerspiegeld”, uitgeverij Brevier

Delen:

Bijbelgedeelte

Johannes 4:1-42
naar het overzicht naar het overzicht
© 2026 Dicht bij de Bijbel
Website door web-it.nl

Contact | Sitemap | Disclaimer
IBAN: NL20 RABO 0198 2557 64

Weergaveopties