Het gebed van Hizkia
1. Doodziek dacht ik: mijn leven is gedaan.
Ik daal nu af, ver bij mijn Heer vandaan.
Stil in het graf kijk ik geen mens meer aan.
Niets kan ik hopen.
Mijn woonplaats is ontruimd en ligt nu open.
Ik ga gebukt – mijn leven gaat niet verder,
zoals opeens het tentdoek van een herder
wordt losgerukt.
2. U staat mij naar het leven, dag en nacht.
Zoals een leeuw, meedogenloos op jacht,
breekt U mijn botten met uw grote kracht.
Hoort U mijn klagen?
Wat zal ik zeggen, met nog zoveel vragen?
Dan klinkt zowaar de boodschap van uw vrede:
‘Genadig mag je leven vanaf heden,
nog vijftien jaar.’
3. Het dodenrijk zal U niet prijzen, Heer.
Daar klinkt geen enkel loflied tot uw eer;
wie zijn begraven jubelen niet meer –
ik zal U loven!
U bent mijn Heer, U biedt mij hulp van boven.
Mijn lofgezang hef ik nu aan met velen.
Wij eren U met zingen en met spelen,
ons leven lang.
Bijbelgedeelte
Jesaja 38:5, 9-20Melodie
Psalm 22Gebruik in diensten
Wij willen u aanmoedigen dit lied binnen uw kerkelijke gemeenschap te gebruiken.
