Pilatus
Ik had me in de zaak verdiept
en wist het: hij had niets misdaan.
Maar toch liet ik de ander gaan
en deed ik waar het volk om riep.
Mijn vrouw had ’s nachts een droom gehad.
Natuurlijk kon ik daar niets mee,
want ik had nog maar één idee:
vooral geen oproer in de stad.
Mijn hoofdman zei: ‘Een godenzoon!’
Toch waste ik mijn handen schoon.
Nu zie ik elke nacht hem staan.
Hij zegt geen woord, hij kijkt mij aan.
Ik weet het: hij heeft niets misdaan.
Mijn leven wordt nooit meer gewoon.
