Psalm 63: Dorstig zingen op weg naar Pasen

Door: Bertus: Keuter

Ergens in de woestijn van Judea zit een jonge man gehurkt in de schaduw van een rots. Zijn kleren zijn stoffig, zijn lippen gebarsten van de dorst. Dit is David, niet de glorieuze koning die hij ooit zal worden, maar een vluchteling die rent voor zijn leven. Koning Saul, verteerd door jaloezie en waanzin, jaagt hem op als een woestijnrat. David verschuilt zich in grotten, verbergt zich in de wildernis van En-Gedi. Elke dag kan zijn laatste zijn. En juist hier, in deze uitzichtloze situatie waar niets groeit en niemand hem kan helpen, is deze psalm ontstaan. Geen geklaag, geen bittere verwensingen, maar een loflied. Een liefdesbrief aan God, geschreven met dorstige lippen met handen in het hete, droge zand.

Woestijn

Dorst die dieper gaat

Ik zoek U, God, in de woestijn.
Hier in een land waar niets wil groeien
blijft het verlangen in mij gloeien:
wat zou ik graag dicht bij U zijn.

Voel je die dorst? Het is niet alleen de fysieke dorst naar water, hoewel die er vast ook was. Het is een existentiële dorst, een verlangen zo diep dat het pijn doet. "In een land waar niets wil groeien". Probeer je voor te stellen hoe dat voelt. Overal om je heen doodsheid, leegte, niets dat leeft. En toch, juist daar, glóéit er iets in David. Geen flakkerend vlammetje dat dreigt te doven, maar een vuur dat weigert uit te gaan.

Heer, in uw tempel, hoogverheven,
zag ik uw majesteit en macht.
Ik zing voor U, op wie ik wacht:
uw liefde is meer dan het leven.

David heeft geen tempel meer. Hij kan niet aanbidden in de plaats die hem zo dierbaar was. Maar de herinnering eraan blijft branden. Hij heeft Gods grootheid gezien, geproefd, ervaren en nu, op de vlucht, ontdekt hij dat Gods liefde belangrijker is dan het leven zelf. Meer dan overleven, meer dan veiligheid, meer dan een toekomst. Als hij Gods liefde heeft, heeft hij alles.

Lof in de nacht

Ik prijs uw naam, nu en voorgoed.
Mijn handen steek ik blij naar boven.
Mijn mond zal U uitbundig loven:
U zegent mij in overvloed.

Stel je dat beeld voor: een vluchteling in de woestijn die zijn handen omhoogsteekt. Niet in overgave aan zijn achtervolgers, maar in aanbidding. "Blij naar boven": midden in de ellende kiest David voor vreugde. Niet omdat de omstandigheden dat rechtvaardigen, maar omdat hij weet Wie er boven hem staat. En dan die paradox: "U zegent mij in overvloed." In de leegte ervaart hij volheid. In het gebrek ziet hij Gods rijkdom.

Zelfs in de nacht blijf ik bedenken
hoe U steeds hielp als ik U zocht.
Mijn God, ik ben aan U verknocht;
U blijft mij hulp en leiding schenken.

De woestijnnachten zijn koud en gevaarlijk. Het is donker, er zijn roofdieren, en vijanden die misschien wel dichterbij sluipen dan je denkt. Maar David kan niet slapen. Niet omdat hij bang is, maar omdat hij ligt te denken aan God. Elke keer dat God hem redde, elke keer dat God antwoordde. "Ik ben aan U verknocht." Het klinkt bijna verliefd, en dat is het ook. Dit is geen koele, afstandelijke godsdienst. Dit is passie.

Het oordeel en de Koning

Laat wie mij naar het leven staan
verbijsterd in de aarde zinken.
Laat wie mijn bloed wel kunnen drinken
door jakhalzen te gronde gaan.

Nu wordt de toon scherper en worden we ruw wakker geschud. David is geen naïeve dromer, hij heeft echte vijanden die zijn dood zoeken. Hij vraagt God om gerechtigheid. Jakhalzen zijn aaseters, verscheurders. Zo ziet David degenen die hem najagen: niet als mensen met een meningsverschil, maar als moorddadige rovers.

De koning zal zichzelf verheugen
in God, die hij met liefde eert.
Gelukkig is wie bij Hem zweert –
maar sterven zal wie leeft van leugen.

Dan, plotseling, spreekt David over "de koning" alsof hij over zichzelf in de derde persoon praat. Misschien omdat hij wéét dat hij koning zal worden, ondanks alles. Of misschien omdat hij boven zichzelf uitstijgt en de grotere waarheid ziet: wie God dient, wie bij Hem zweert, die zal uiteindelijk zegevieren. Leugen zal niet standhouden. Waarheid overwint altijd, ook al duurt het lang.

Psalm 63 in de Veertigdagentijd

Dit is de kracht van Psalm 63 in de Veertigdagentijd: een psalm die ons leert wachten zonder wanhopig te worden. David zit in zijn donkerste dal, maar zijn lied is niet donker. Hij is ver van de tempel, maar God is niet ver van hem. Hij heeft geen water, maar zijn ziel drinkt uit een diepere bron.

In de Veertigdagentijd lopen we met Jezus naar het kruis, door de woestijn van lijden, afwijzing en pijn. Net als David leren we dat verlangen sterker kan zijn dan verdriet. Dat aanbidding kan opbloeien juist waar niets anders groeit. Dat Gods liefde werkelijk meer is dan het leven, omdat ze zelfs de dood overleeft.

Want weet je wat het prachtige is? David overleefde die woestijntijd. Saul stierf, David werd koning. Maar nog belangrijker: zijn dorst werd gelest. Niet alleen met water, maar met de vervulling van Gods beloften.

En wij? Wij zien uit naar een nog grotere verlossing. Naar de dag dat alle vijanden verslagen zijn, alle tranen gedroogd, alle dorst voorgoed gelest. Naar Pasen, ja, maar ook naar de dag dat Christus terugkomt en alles nieuw maakt.

Tot die tijd zingen we met David, vanuit onze eigen woestijn: Ik zoek U, God, in de woestijn. Want wie zoekt, die vindt. Wie dorst heeft, die zal drinken. Wie volhoudt in het verlangen, die zal uiteindelijk juichen bij de Bron.

Bertus Keuter
Bertus Keuter is werkzaam bij het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap (NBG)

Ga naar Psalm 63

Bestel de bundel

Naar het overzicht
© 2026 Dicht bij de Bijbel
Website door web-it.nl

Contact | Sitemap | Disclaimer
IBAN: NL20 RABO 0198 2557 64